Ze minden elkaar zo teder
1.
Ze minden elkander zo teder,
De starren die keken het af,
Eens avonds, toen ze bij 't jawoord,
Den eersten zoen hem gaf,
Ze minden elkander zo teder,
De starren die zagen het af.
2.
Ze minden elkander zo teder,
De vogels die hadden 't gehoord,
Toen beide van liefde spraken,
Bij 't beekjes frischen boord
Ze minden elkander zo teder,
De starren die zagen het af.
3.
Ze minden elkander zo teder:
Dat wisten de bloemen in 't veld,
Langs waar ze kussend en kozend,
Zo vrolijk kwamen gesneld,
Ze minden elkander zo teder,
De starren die zagen het af.
4.
Ze minden elkander zo teder,
Nu zijn ze van een gegaan...
Hun beiden hart gebroken,
Dat heeft de laster gedaan!
Ze minden elkander zo teder,
De starren die zagen het af.
|