O liefste met uw godenlach



1.
O liefste met uw godenlach,
Dien 'k aan mijn hart gebogen zag,
Dien blauwen gouden zomerdag,
Vol geur van blanke bloemen!
O lief die leven schiep uit dood!
O gever van mijn liefdebrood!
Genezer van mijn zielenood!
Hoe zal mijn dank u noemen?
O gi die wilt mijn alles zijn,
En koest'ren 't moede harte mijn,
In engelarmen warmen rein,
Wat zal mijn dank u geven?
De rozen van mijn vrolijkheid,
De leel'jen van mijn dromentijd,
De palmen van mijn vrome vlijt,
De lauwen van mijn leven.