Aan Antwerpen
1.
O Koningin der Schelde,
Wat overschoone dag,
Toen ik u laatsmaal zag!
Gij trokt uw muren uit naar 't lommer van den velde,
En waart gedost in feestgewaad
En droegt den lach op 't lief gelaat.
De wemelende drang van uwe ontelbre kindren
Scheen me als een dichte zwerm van bontgewiekte vlindren,
Die zich in 't geurig ruim der lentelucht verheugt,
En 'k sprak: Hier woont nog heil en volksgeluk en vreugd!
2.
En, luistrende om mij henen,
Vernam ik te allen kant
De taal van 't Vaderland,
Die aan dit schouwtooneel haar maatgeluid mocht leenen:
Zij, lievelinge van uw zoons, Had op hun tong iets ongewoons,
Want allen scheen de ziel des dichters ingeboren,
't Zij veder, of penseel, of penseel, of beitel hun behooren;
Mij trof hun beeldenspraak, gelijk een krachtig lied,
En 'k sprak: Hier rijst de zon van Vlaandrens kunstgebied!
|